Lijfrente mogelijkheden
Afkoop Kleine Lijfrenten
Als een lijfrenteverzekering wordt afgekocht, worden er negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (progressieve heffing inbox 1). Daarnaast is er revisierente verschuldigd. Deze bedraagt in beginsel 20% van de waarde in het economisch verkeer. Als de afkoop plaatsvindt binnen 10jaar na de tot stand koming van de lijfrenteverzekering en tevens de verschuldigde heffingsrente bij een normale navordering lager dan 20% zou uitkomen, kan op verzoek dat lagere percentage in aanmerking worden genomen. Dit geld in alle gevallen van een lijfrenteverzekering.
Op grond van art. 44a vorderingswet 1990 is de verzekeraar aansprakelijk voor het bedrag van de in aanmerking te nemen negatieve uitgaven voor inkomstenvoorziening en het bedrag van de revisierente. Deze aansprakelijkheid kan nooit meer bedragen dan de waarde in het economisch verkeer van de afgekochte lijfrenteverzekering.
Bancaire lijfrente versus verzekerde lijfrente
De wet IB2001 kent momenteel 3 lijfrentevormen:
- de levenslange oudedagslijfrente
- de tijdelijke oudedagslijfrente
- nabestaandenlijfrente
Binnen deze laatstgenoemde lijfrente kan er onderscheid gemaakt worden tussen lijfrenten die toekomen aan een bloed –of aanverwant, niet zijnde de (gewezen) partner, in de rechte lijn of in de tweede of derdegraad van de zijlijnen.
Binnen de eerste categorie gaat het om lijfrente die toekomen aan (klein)kinderen, (groot)ouders, broers en zussen, ofwel kort gezegd lijfrente die toekomen aan familieleden. Binnen de categorie lijfrenten die toekomen aan familieleden moet nog een onderscheid worden gemaakt tussen lijfrente die toekomen aan een familielid jonger dan 30 jaar en lijfrente die toekomen aan een familielid ouder dan 30 jaar.
Tot 2006 was ook de overbruggingslijfrente een toegestane lijfrentevorm. De termijnen van de overbruggingslijfrente moeten toekomen aan de verzekeringnemer en moeten eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt (voor Brede Herwaardering lijfrenten: of de eerdere pensioendatum).
Als de verzekeringnemer op een eerder moment pensioentermijnen gaat ontvangen, mag de einddatum van de overbruggingslijfrente hierop afgestemd worden. De overbruggingslijfrente mag niet meer bedragen dan € 63288per jaar.
Dit bedrag wordt niet langer geïndexeerd. Op grond van het bij de Wet VPL getroffen overgang recht kan voor op zijn laatst in 2005 bestaande lijfrente aanspraken nog steeds een verzekerde overbruggingslijfrente worden aangekocht. Er is geen bancaire tegenhanger van de overbruggingslijfrente.
Een tweede opmerking bij dit overzicht gaat over de looptijd van een bancaire
nabestaandenlijfrente. Als de belastingplichtige (rekeninghouder) gedurende de looptijd van een bancaire oudedagslijfrente overlijdt. gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op erfgenamen. Hetzelfde geldt voor een reeds uitkerende nabestaandenlijfrente. Als de genieter van de nabestaandenlijfrente overlijdt voordat de laatste termijn van de bancaire nabestaandenlijfrente is genoten. gaan die uitkeringen eveneens over op de erfgenamen. Het nog resterende tegoed hoeft op dat moment dus niet te worden omgezet in een bancaire nabestaandenlijfrente die voldoet aan de looptijdeisen.
Lijfrentepremieaftrek
De bedragen die een belastingplichtige betaalt voor een lijfrenteverzekering zijn aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Datzelfde geldt voor de bedragen die een belastingplichtige over maakt op een lijfrentespaarrekening of naar een beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een lijfrente beleggingsrecht. De premies voor lijfrentevoorzieningen, daaronder tevens te verstaan de stortingen op een lijfrentespaarrekening of voor een lijfrente beleggingsrecht, slechts aftrekbaar als zij dienen ter compensatie van een pensioentekort. De fiscale grenzen die hierbij gelden, zijn voor bancaire lijfrente en verzekerde lijfrenten dezelfde. Deze fiscale grenzen zij n in drie artikelen neergelegd: art. 3.127. 3.128 en 3.129 Wet IB 2001.In art. 3.127 Wet IB 2001 zijn de jaarruimte en inhaal jaarruimte beschreven. In art.3.128 Wet IB2001 is de omzetting van de ouderdag reserve in een lijfrente voorziening beschreven. Tenslotte is Wet IB2001 de omzetting van de stakingswinst in een lijfrentevoorziening geregeld.
Jaarruimte en inhaal jaarruimte
De jaarruimte en inhaal jaarruimte zijn voor alle belastingplichtigen toegankelijk. Bij de berekening van de jaarruimte en de inhaaljaar ruimte wordt rekening gehouden met de reeds opgebouwde oudedagsvoorzieningen van de belastingplichtige.
Jaarruimte
De lijfrentepremieaftrek die de jaarruimte biedt, is afgestemd op het inkomen van de belastingplichtige in een bepaald jaar. Bij de berekening van de jaarruimte wordt, zoals gezegd, rekeninggehouden met de opbouw van andere oudedagsvoorzieningen. De formule van de jaarruimte is de volgende:
17%x (RI-Fr) -FOR-7,5A-B5R.
Afkortingen:
RI relevant inkomen .
Fr franchise.
FOR relevante mutatie van de fiscale oudedagsreserve.
A pensioenaangroei.
B5R premies vooreen vrijwillige pensioenmodule gefinancierd uit spaarloontegoeden.
Beschrijving:
Relevant inkomen
Het relevant inkomen wordt gevormd door een aantal inkomensbestanddelen
uit box 1. Het betreft hier de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de toepassing van de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Het belastbaar loon. Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige. Het gaat hierbij telkens om de inkomensgegevens van het voorgaande belastingjaar. Daarmee loopt de jaar ruimte berekening altijd een jaar achter op de feiten. In beginsel is het relevant inkomen voor de berekening van de jaarruimte het inkomen van de belastingplichtige dat hij behaald heeft door het verrichten van arbeid.
Er zijn echter inkomensbestanddelen in de jaarruimte-formule die geen verband houden met arbeid. Zo worden de inkomsten behaald met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen opgrond van art.3.91 en art.3.92 Wet IB 2001 belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om inkomsten die worden behaald met de verhuur van een bedrijfspand aan de eigen BV of de rente die wordt genoten vanwege een lening van de belastingplichtige aan zijn eigen BV. Voorts behoren periodieke uitkeringen en verstrekkingen ook tot het inkomen voorde berekening van de jaarruimte.
Franchise
Op het relevant inkomen moet een franchise van € 10 990 (bedrag 2007) in mindering worden gebracht. Deze franchise houdt verband met de AOW rechten die iedere belastingplichtige geacht wordt te hebben. De franchise is een vast bedrag. De belastingplichtige die minder dan een volledig AOW recht heeft, moet toch rekening houden met de volledige franchise. De franchise is geïndexeerd. Het relevant inkomen verminderd met de franchise wordt in de terminologie van de Wet IB 2001 de premie grondslag genoemd. De premie grondslag is gemaximeerd tot een bedrag van € 150 997 (bedrag 2007). In verband met de financiering van de uitbreiding van het aantal aanbieders van lijfrentevoorzieningen wordt de premiegrondslag in 2008 met € 47 700 verlaagd.
Relevante mutatie van de fiscale oudedagsreserve
Voor een belastingplichtige die naast de AOW geen oudedagsvoorzieningen heeft, bedraagt de jaarruimte 17% van de premiegrondslag. Zijn er wel andere oudedagsvoorzieningen, dan dient met de aangroei van deze oudedagsvoorzieningen in de berekening van de jaarruimte rekening te worden gehouden. Allereerst de relevante mutatie in de oudedagsreserve. Voor zelfstandig ondernemers die aan het zo genoemde urencriterium voldoen staat de mogelijkheid open om deel te nemen aan deze regeling. door deelname aan de oudedagsreserve wordt een bedrag van maximaal 12% van de winst gedoteerd aan deze reserve, dit bedrag wordt op de balans vermeld. Van een feitelijke reservering hoeft evenwel geen sprake te zijn. Vaak is er dan ook sprake van een papieren reserve. De oudedagsreserve kan op twee manieren afnemen: verplicht of vrijwillig. Van een vrijwillige afneming kan alleen sprake zijn als de ondernemer de oudedagsreserve omzet in een lijfrentevoorziening. Voorts zijn er in de Wet IB 2001 situaties beschreven waar in de oudedagsreserve verplicht afneemt.
Zoals gezegd dient de relevante mutatie in de oudedagsreserve volledig in mindering te worden gebracht op de berekende 17% van de premie grondslag. Niet elke mutatie in de oudedagsreserve is evenwel relevant. Relevant is slechts het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in een kalenderjaar het bedrag van de verplichte afneming van de oudedagsreserve aan het einde van het kalenderjaar overtreft. De vrijwillige afneming van de oudedagsreserve in verband met de betaling van een lijfrentepremie wordt niet meegenomen. Uit de bewoordingen van de wettekst volgt eveneens dat de relevante mutatie van de oudedagsreserve nooit negatief kan zijn van een bijtelling op 17 % van de premie grondslag. Daarmee kan er van een verhoging van de jaarruimte geen sprake zijn. Overigens gaat het hier evenals bij de bepaling van het relevant inkomen over de mutatie van de oudedagsreserve in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de jaarruimte wordt berekend.
Pensioenaangroei
De pensioenaangroei in een kalenderjaar vermenigvuldigd met een factor 7,5 moet eveneens in mindering worden gebracht op 17% van de premiegrondslag. Relevant is alleen de pensioen aangroei die het gevolg is van een toeneming van de dienst tijd in het kalenderjaar. De aangroei van de pensioen aanspraak met betrekking tot achterliggende kalenderjaren in verband met de verhoging van de pensioengrondslag, doorgaans ten gevolge van een salarisverhoging (backservice pensioen), wordt niet meegenomen. De pensioenaangroei van een individuele vrijwillige pensioenmodule welke gefinancierd is door deblokkering van spaarloon tegoeden blijft eveneens buiten beschouwing. Voorts dient bij de bepaling van de pensioen aangroei onderscheid te worden gemaakt tussen beschikbare premieregelingen en salaris/diensttijdregelingen. Bij beschikbare premieregelingen hoeft slechts rekening te worden gehouden met de premiecomponenten die zijn betaald voor het ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen en de premie vrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. De overige premiecomponenten, bijvoorbeeld ten behoeve van prepensioen, blijven in beginsel buiten beschouwing. Indien de premie componenten binnen de beschikbare premieregeling niet kunnen worden onderscheiden, dient de totale beschikbare premie als uitgangspunt te worden genomen. Om te bepalen hoe groot de pensioenaangroei is die samenhangt met de betaalde pensioenpremie, heeft het Ministerie van Financiën nadere regels opgesteld. In art. 15, tweedelid, onderdeel a, UB IB2001 is een leeftijdsafhankelijke staf fel opgenomen. Door vermenigvuldiging van de (relevante) beschikbare premie met een bij de leeftijdsklasse van de deelnemer behorende factor wordt de pensioen aangroei forfaitair vastgesteld.
Bij een salaris diensttijdregeling heeft de pensioenaangroei betrekking op de toeneming van het levenslange ouderdomspensioen. De stijging van bijvoorbeeld een eventueel aanwezig prepensioen hoeft niet te worden meegenomen. Ook hier geldt dat de voor de jaarruimte berekening in enig jaar te hanteren pensioenaangroei de pensioenaangroei is over het jaar voorafgaand aan het belastingjaar waarvoor de jaarruimte wordt berekend.
Premies voor een individuele pensioen module gefinancierd uit spaarloontegoeden
De belastingplichtige die spaarloontegoeden heeft gedeblokkeerd voor de betaling van een vrijwillige pensioenmodule moet dit gedeblokkeerde bedrag in mindering brengen op 17% van de premiegrondslag. De pensioenaangroei die deze premiebetaling met zich meebrengt, hoeft niet te worden meegenomen in de bepaling van de pensioenaangroei (factor A). De voor de jaarruimte berekening in enig jaar te hanteren deblokkering van spaarloon tegoed en voor de betaling van een vrijwillige pensioenmodule. is de deblokkering over het jaar voorafgaand aan het belastingjaar waarvoor de jaarruimte wordt berekend.
Inhaal jaarruimte
De belastingplichtige die de jaarruimte over een bepaald kalenderjaar niet of niet volledig benut, kan dit niet-benutte deel alsnog in een later kalenderjaar inhalen (inhaal jaarruimte). Het bedrag van de jaarruimte geeft in feite het in een premie uitgedrukt pensioengat van de belastingplichtige weer. De belastingplichtige kan dit in een premie uitgedrukt pensioengat dichten door betaling van deze premie aan een toegestane uitvoerder (verzekeraar, bank, enzovoort). Echter, om de gereserveerde jaarruimte te benutten moet rekening worden gehouden met twee soorten begrenzingen: een begrenzing in tijd en een begrenzing in hoogte.
Begrenzing in tijd. De periode waar binnen de belastingplichtige de over een jaar gereserveerde jaarruimte kan benutten, is beperkt tot zevenjaar.
Begrenzing in hoogte. De begrenzing in hoogte valt uiteen in drie delen.
- Allereerst geldt de (logische) begrenzing dat niet meer aan inhaal jaarruimte kan worden benut dan het totaal van de in de voorgaande zeven jaren niet-benutte jaarruimte.
- Ten tweede geldt er een absoluut plafond, aan inhaal jaarruimte kan in enig jaar niet meer worden benut dan een bedrag van € 6492 (bedrag 2007). Voor 55-plussers geldt een hoger plafond. Deze 55-plussers kunnen in enig jaar niet meer aan inhaal jaarruimte benutten dan een bedrag van € 12 823 (bedrag 2007).
- Ten slotte kan in enig jaar niet meer aan inhaal jaarruimte worden benut dan 17% van de premiegrondslag van het jaar waarin de inhaal jaarruimte wordt benut. Het laagste van deze genoemde begrenzingen is het bedrag dat een belastingplichtige in enig jaar aan inhaal jaarruimte kan benutten.
Voor vragen kunt u ons telefonisch bereiken op telefoonnummer:
0320 - 215 350